Onafhankelijke koepel van 43 beroepsverenigingen uit acht sectoren met circa 62.000 leden.
Aangesloten bij de Vakcentrale voor Professionals.

Dekkingsgraad

De pensioenen bij ABP, PMT, PME en PFZW hoefden in 2019, 2018 en 2017 niet te worden verlaagd. Voor het bepalen of er per 1 april moest worden gekort, was de hoogte van de actuele dekkingsgraad op 31 december cruciaal. Andere fondsen konden indexeren (zie verderop).


Als gevolg van het advies van de commissie Dijsselbloem is de ondergrens van de actuele dekkingsgraad voor ABP verhoogd van 88 naar 95 procent. ABP zit eind juli op 93,9 procent. Komt dat eind 2019 niet op tenminste de 95 procent dan moet er in 2020 gekort worden op de pensioenen.
Per 1-1-2019 kunnen Bouw (1,07%), Spoorweg (0,64%), PostNl (0,72%) en KPN (actieven 1,11%, postactieven1,16%) indexeren. Ook per 1-1-2018 konden Bouw (0,59%), Spoorweg (0,16%), PostNL (0,32%) en KPN (actieven 0,74%, postactieven 0,81%) indexeren. Mede onder invloed van de strengere regel voor indexering hebben geen van de hier gevolgde fondsen per 1-1-2017 en per 1-1-2016 kunnen indexeren. Per 1-1-2015 konden Bouw, PostNl en KPN - gedeeltelijk - indexeren. Uiteraard leidt een indexering tot hogere verplichtingen en daarmee tot een daling van de dekkingsgraad. Onder de huidige regels kan (gedeeltelijke) indexering bij een dekkingsgraad boven de 110% en dan nog op een voorzichtige wijze, waardoor de dekkingsgraad niet in een mogelijk gevaarlijke zone kan komen.


De ontwikkeling van de dekkingsgraad tussen 30 november en 31 december wordt niet alleen zoals in andere maanden bepaald door enerzijds de renteontwikkeling en anderzijds de rendementen, maar ook door zaken als een jaarlijkse correctie op grond van bestandsontwikkelingen en van illiquide beleggingen. Hierdoor verschillen de maand op maand ontwikkelingen tussen de fondsen in december sterker dan in overige maanden. Sommige fondsen publiceren een voorlopig cijfer ultimo december exclusief correctie met later een definitief cijfer inclusief correctie; andere fondsen, zoals ABP, komen later met dit cijfer, maar dan gelijk inclusief correctie. PMT, PME en Bouw PF hebben de daling van de stijging van de levensverwachting op basis van recente cijfers van het Actuarieel Genootschap verwerkt in de actuele dekkingsgraad per 30 september 2018. PFZW heeft dat in het cijfer van november 2018 gedaan; daar is het effect 1,6 procentpunt. ABP heeft de AG-prognoses over levensverwachting gelegd naast de ervaringen binnen het fonds zelf en komt tot een omgekeerd effect voor ABP. De levensverwachting bij ABP van een man van 66 jaar steeg tussen 2017 en 2018 van 87,1 naar 87,2; bij een vrouw van 66 van 89,1 naar 89,3. In vergelijking met de andere fondsen, daalde de dekkingsgraad van het ABP mede hierdoor eind 2018 sterker.


In onderstaande grafiek is de ontwikkeling van de dekkingsgraden over wat langere termijn zichtbaar gemaakt.

Naast de ontwikkeling van het belegd vermogen heeft de ontwikkeling van de rente een belangrijke invloed op de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Om de verplichtingen naar de toekomst te berekenen, wordt gebruik gemaakt van de "rekenrente" zijnde de nominale rentetermijnstructuur (zero-coupon). zoals maandelijks bekend gemaakt door DNB. De sinds ultimo september 2012 toegepaste z.g. UFR zorgt voor een lichte correctie van marktverstoringen voor looptijden van 20 jaar of langer. De invoering van de UFR leidde toen tot een verhoging van de dekkingsgraad tussen de 2,5 en de 4%. De gemiddelde leeftijd binnen een fonds heeft hier grote invloed op, hoe jonger het fonds hoe groter het effect: bij het ABP was het effect toen 2,7%. Welke rente dient te worden gebruikt hangt enerzijds af van de looptijd van de verplichtingen (hoe ouder het fonds, hoe korter de looptijd) en anderzijds van de mate en vorm van de renteafdekking. Elk fonds heeft derhalve een "eigen" rekenrente. Om toch een indruk te geven, is onderstaand de ontwikkeling van de rekenrente voor een looptijd van 23 jaar weergegeven. Door de sterk gestegen feitelijke pensioneringsdatum gaan pensioenuitkeringen later in en zijn ze bij ingang hoger door de herberekeningen t.o.v. 65 jaar van in het verleden opgebouwde rechten. Dat betekent dat de grote fondsen inmiddels al rekenen met een gemiddelde looptijd van de verplichtingen van zo'n 29 jaar.

Vanaf 31 december 2011 heeft DNB een correctie toegepast op de rentetermijnstructuur door deze te baseren op een driemaandsgemiddelde. Hierdoor werden eventuele grote schommelingen uitgemiddeld en werden besluiten over indexeringen en kortingen iets minder onderhevig aan de waan van de dag. Omdat rentemutaties ook aan de vermogenskant effecten hebben, maar daar niet kunnen worden gemiddeld, ontstaat een wat scheef beeld bij het berekenen van de dekkingsgraad. Zonder de middeling zou de dekkingsgraad overigens 31 december 2013 gemiddeld 1 procent hoger zijn uitgekomen, dus ook hier zijn voor- en nadelen.

Vanaf 1 januari 2015 wordt een twaalfmaandsmiddeling (elke maand een voortschrijdend gemiddelde van de laatste 12 maanden) van de gehele dekkingsgraad gehanteerd. Een twaalfmaandsgemiddelde loopt per definitie achter op de ontwikkelingen, waardoor bij een opwaartse tendens een korting hoger kan uitvallen dan zonder middeling. Uiteraard ook omgekeerd: bij een neerwaartse tendens een lagere korting. In de onderstaande grafiek wordt het effect van zo'n twaalfmaandsgemiddelde voor het ABP weergegeven. Bij toepassing vanaf ultimo 2009: ultimo 2009, 2010 en 2012 een lagere dekkingsgraad als uitkomst en alleen in 2011 een hogere. De korting per 1 april 2014 zou 3,1% hebben bedragen.

Vanaf 2015 wordt de zogenaamde 'beleidsdekkingsgraad' gebruikt. Deze dekkingsgraad is geen momentopname, maar een twaalfmaandsgemiddelde. Wel verviel in 2015 de driemaands middeling van de rentetermijnstructuur. De dekkingsgraad eind 2014 van het ABP berekend via de oude methode was 101,1%; de beleidsdekkingsgraad per 31-12-2014 zou 104,7% hebben bedragen. DNB heeft bepaald dat de UFR per 15 juli 2015 op een andere manier wordt bepaald. Deze aanpassing volgt het advies van de Commissie UFR. De nieuwe berekeningsmethode leidt tot een UFR die op dat moment 3,3% bedraagt. Dit is lager dan de tot dan toe gehanteerde UFR van 4,2%. e nieuwe UFR leidt tot een lagere dekkingsgraad, hoe jonger het fonds hoe sterker het effect. In de beleidsdekkingsgraad is het volledige effect pas na 12 maanden zichtbaar. Onlangs heeft de minister een commissie parameters ingesteld, die kijkt naar o.m. de UFR.

De wet schrijft voor dat pensioenfondsen die 5 jaar achtereen een beleidsdekkingsgraad hebben onder de kritische dekkingsgraad een korting moeten doorvoeren die ervoor zorgt dat de dekkingsgraad direct weer op die kritische dekkingsgraad komt. Die grens was 104,2 procent, maar de commissie Dijsselbloem verlaagde die naar 100 procent. 2020 is het eerste jaar dat pensioenfondsen te maken kunnen krijgen met deze maatregel. Voor de hoogte van eventueel door te voeren kortingen zijn de standen op 31 december 2019 bepalend. Omdat fondsen waarvoor deze maatregel geldt, het tekort tot 100% direct goed zullen moeten maken, kan de korting substantieel zijn. De kortingen mogen worden gespreid over maximaal 10 jaar, maar moeten onvoorwaardelijk worden doorgevoerd, ook als de financiële positie weer verbetert. Als bijvoorbeeld de beleidsdekkingsgraad op de peildatum 31 december 2019 op 90% staat, zou het om een jaarlijkse, onvoorwaardelijke korting gaan van 1% gedurende 10 jaar. Voor ABP en PFZW speelt dit pas eind 2020.

Bij het vaststellen van de kostendekkende premie mogen fondsen een andere (zeker de laatste jaren hogere) rekenrente gebruiken dan bij het vaststellen van de verplichtingen. Sommige fondsen nemen dit risico niet en hanteren ook bij het vaststellen van de kostendekkende premie de rekenrente bij de verplichtingen. Immers als blijkt dat de premie niet kostendekkend is geweest, leidt dit tot een stijging van de verplichtingen en daarmee een daling van de dekkingsgraad. Het gaat daarbij dus alleen om de in dat jaar nieuw opgebouwde aanspraken en heeft bij een zorgvuldige vaststelling van de premie een beperkt effect. Bij het ABP ging het in 2018 net als eerdere jaren, om een lagere dekkingsgraad van 0,8%-punt. Fondsen zijn – nog – niet gewend hierover verantwoording af te leggen, terwijl alle deelnemers dit effect merken, zeker waar het om een reeks van jaren gaat.

Het premiebeleid van het ABP dat in 2016 is vastgesteld, neemt als uitgangspunt een reëel rendement – dus na aftrek van inflatie - van 2,8%. Omdat daarmee sprake zou zijn geweest van een forse premiestijging in 2017, heeft het bestuur besloten om de premiestijging te spreiden over meerdere jaren. In 2018 is de tweede stap in de fasering van de premiestijging gezet. In 2019 volgt de laatste stap in deze fasering. Deze spreiding heeft een negatief effect op de dekkingsgraad dat beduidend groter is dan eerdergenoemde 0,8%.

 
Deel deze pagina: