Onafhankelijke koepel van 43 beroepsverenigingen uit acht sectoren met circa 62.000 leden.
Aangesloten bij de Vakcentrale voor Professionals.

Dekkingsgraad

De pensioenen bij ABP, PMT, PME en PFZW hoefden in 2020, 2019, 2018 en 2017 niet te worden verlaagd. Voor PME en PMT is dit eind 2019 dankzij een - eenmalige actie van de minister om de sfeer bij de uitwerking van het pensioenakkoord goed te houden. Voor het bepalen of er per 1 april moest worden gekort, was de hoogte van de actuele dekkingsgraad op 31 december cruciaal. Andere fondsen konden indexeren (zie verderop).

Als gevolg van het advies van de commissie Dijsselbloem is de ondergrens van de actuele dekkingsgraad voor een korting van de pensioenen verhoogd van 88 naar 95 procent. Minister Koolmees heeft de ondergrens eenmalig voor eind 2019 verlaagd tot 90 procent; wel moet het bestuur een afweging maken of gebruikmaking van deze mogelijkheid voldoende evenwichtig is.

Per 1-1-2020 kunnen Bouw (0,26%), PostNl (0,07%) en KPN (actieven 0,41%, postactieven 0,48%) indexeren. In 2019 was dit: Bouw (1,07%), Spoorweg (0,64%), PostNl (0,72%) en KPN (actieven 1,11%, postactieven1,16%) en in 2018 Bouw (0,59%), Spoorweg (0,16%), PostNL (0,32%) en KPN (actieven 0,74%, postactieven 0,81%). Mede onder invloed van de strengere regel voor indexering hebben geen van de hier gevolgde fondsen per 1-1-2017 en per 1-1-2016 kunnen indexeren. Per 1-1-2015 konden Bouw, PostNl en KPN gedeeltelijk indexeren. Onder de huidige regels kan (gedeeltelijke) indexering bij een dekkingsgraad boven de 110% en dan nog op een voorzichtige wijze, waardoor de dekkingsgraad niet in een mogelijk gevaarlijke zone kan komen. Uiteraard leidt een indexering tot hogere verplichtingen en daarmee tot een daling van de dekkingsgraad.

De ontwikkeling van de dekkingsgraad tussen 30 november en 31 december wordt niet alleen zoals in andere maanden bepaald door enerzijds de renteontwikkeling en anderzijds de rendementen, maar ook door zaken als een jaarlijkse correctie op grond van bestandsontwikkelingen en van illiquide beleggingen. Hierdoor verschillen de maand op maand ontwikkelingen tussen de fondsen in december sterker dan in overige maanden. Sommige fondsen publiceren een voorlopig cijfer ultimo december exclusief correctie met later een definitief cijfer inclusief correctie; andere fondsen komen later met dit cijfer, maar dan gelijk inclusief correctie.

Op basis van cijfers van het Actuarieel Genootschap hebben PFZW, PMT, PME en Bouw PF in 2018 de door het AG voorziene daling van de stijging van de levensverwachting verwerkt in de actuele dekkingsgraad, die daarmee steeg. ABP heeft de AG-prognoses over levensverwachting gelegd naast de ervaringen binnen het fonds zelf en komt tot een omgekeerd effect voor ABP. De levensverwachting bij ABP van een man van 66 jaar steeg in 2018 van 87,1 naar 87,2; bij een vrouw van 66 van 89,1 naar 89,3. In vergelijking met de andere fondsen, daalde de dekkingsgraad van het ABP hierdoor eind 2018 sterker. Eind 2019 is de gemiddelde stijging van de levensverwachting bij het ABP 0,1 jaar tot 88,3, een te verwaarlozen effect op de dekkingsgraad.

In onderstaande grafiek is de ontwikkeling van de dekkingsgraden over wat langere termijn zichtbaar gemaakt.

Naast de ontwikkeling van het belegd vermogen heeft de ontwikkeling van de rente een belangrijke invloed op de dekkingsgraad. Om de verplichtingen naar de toekomst te berekenen, wordt gebruik gemaakt van de "rekenrente" zijnde de nominale rentetermijnstructuur. zoals maandelijks bekend gemaakt door DNB. De sinds ultimo september 2012 toegepaste z.g. UFR zorgt voor een lichte correctie van marktverstoringen voor looptijden van 20 jaar of langer, wat leidde tot een verhoging van de dekkingsgraad. De gemiddelde leeftijd binnen een fonds heeft hier grote invloed op, hoe jonger het fonds hoe groter het effect: bij het ABP was het effect toen 2,7%.

Welke rente dient te worden gebruikt hangt enerzijds af van de looptijd van de verplichtingen (hoe ouder het fonds, hoe korter de looptijd) en anderzijds van de mate en vorm van de renteafdekking. Elk fonds heeft derhalve een "eigen" rekenrente. Om toch een indruk te geven, is onderstaand de ontwikkeling van de rekenrente voor een looptijd van 29 jaar weergegeven. Door de sterk gestegen feitelijke pensioneringsdatum gaan pensioenuitkeringen later in en zijn ze bij ingang hoger door de herberekeningen t.o.v. 65 jaar van in het verleden opgebouwde rechten. Dat betekent dat de grote fondsen rekenen met een gemiddelde looptijd van de verplichtingen van zo'n 29 jaar, waar ze nog niet zo lang geleden met 23 jaar rekenden.


Vanaf 2015 wordt een twaalfmaandsmiddeling (elke maand een voortschrijdend gemiddelde van de laatste 12 maanden) van de gehanteerd. Dit gemiddelde loopt per definitie achter op de ontwikkelingen, waardoor bij een opwaartse tendens een korting hoger kan uitvallen dan zonder middeling. Uiteraard ook omgekeerd: bij een neerwaartse tendens een lagere korting. In de onderstaande grafiek wordt het effect van zo'n twaalfmaandsgemiddelde voor het ABP weergegeven. Bij toepassing vanaf ultimo 2009: ultimo 2009, 2010 en 2012 een lagere dekkingsgraad als uitkomst en alleen in 2011 een hogere. De korting per 1 april 2014 zou 3,1% hebben bedragen.

Vanaf 2015 wordt de zogenaamde 'beleidsdekkingsgraad' gebruikt. Deze dekkingsgraad is geen momentopname, maar een twaalfmaandsgemiddelde. Wel verviel toen de driemaands middeling van de rentetermijnstructuur. De dekkingsgraad eind 2014 van het ABP berekend via de oude methode was 101,1%; de beleidsdekkingsgraad per 31-12-2014 zou 104,7% hebben bedragen. DNB heeft bepaald dat de UFR per 15 juli 2015 op een andere manier wordt bepaald (toen een daling van 4,2% naar 3,3%). De nieuwe UFR leidt tot een lagere dekkingsgraad, hoe jonger het fonds hoe sterker het effect. In de beleidsdekkingsgraad is het volledige effect pas na 12 maanden zichtbaar.

De wet schrijft voor dat pensioenfondsen die 5 jaar achtereen een beleidsdekkingsgraad hebben onder de kritische dekkingsgraad een korting moeten doorvoeren die ervoor zorgt dat de dekkingsgraad - stand ultimo van het jaar - direct weer op die kritische dekkingsgraad komt. Die grens was 104,2 procent, maar de commissie Dijsselbloem verlaagde die naar 100 procent. 2020 is het eerste jaar dat pensioenfondsen te maken kunnen krijgen met deze maatregel. Minister Koolmees heeft eenmalig de mogelijkheid geboden om de termijn te verlengen tot 6 jaar. Omdat fondsen waarvoor deze maatregel geldt, het tekort tot 100% direct goed zullen moeten maken, kan de korting substantieel zijn. De kortingen mogen worden gespreid over maximaal 10 jaar, maar moeten onvoorwaardelijk worden doorgevoerd, ook als de financiële positie weer verbetert. Als bijvoorbeeld de beleidsdekkingsgraad op de peildatum op 90% staat, zou het om een jaarlijkse, onvoorwaardelijke korting gaan van 1% gedurende 10 jaar. Voor ABP en PFZW speelt dit pas eind 2020.

Voor 2020 heeft het ABP-bestuur ondanks een negatief advies van het verantwoordingsorgaan, besloten de meeste premies ongewijzigd te laten. Hierdoor is de verwachting dat de premie in 2021 fors moet stijgen. Daarnaast heeft dit in 2020 een negatief effect op de dekkingsgraad. De meeste fondsen hebben dit ook gedaan, maar er zijn ook fondsen die de premie voor 2020 hebben verhoogd, de jaarlijkse opbouw verlaagd of een combinatie van beide.

Bij het vaststellen van de kostendekkende premie mogen fondsen een andere (zeker de laatste jaren hogere) rekenrente gebruiken dan bij het vaststellen van de verplichtingen. Sommige fondsen nemen dit risico niet en hanteren ook bij het vaststellen van de kostendekkende premie de rekenrente bij de verplichtingen. Immers als blijkt dat de premie niet kostendekkend is geweest, leidt dit tot een stijging van de verplichtingen en daarmee een daling van de dekkingsgraad. Het gaat daarbij dus alleen om de in dat jaar nieuw opgebouwde aanspraken en heeft bij een zorgvuldige vaststelling van de premie een beperkt effect. Bij het ABP ging het in 2018 net als eerdere jaren, om een lagere dekkingsgraad van 0,8%-punt. Fondsen zijn niet gewend hierover verantwoording af te leggen, terwijl alle deelnemers dit effect merken, zeker waar het om een reeks van jaren gaat.

Het premiebeleid van het ABP dat in 2016 is vastgesteld, neemt als uitgangspunt een reëel rendement – dus na aftrek van inflatie - van 2,8%. Omdat daarmee sprake zou zijn geweest van een forse premiestijging in 2017, heeft het bestuur besloten om de premiestijging te spreiden over meerdere jaren. In 2018 is de tweede stap gezet en in 2019 de laatste. Deze spreiding heeft een negatief effect op de dekkingsgraad gehad dat beduidend groter is dan eerdergenoemde 0,8%.

 
Deel deze pagina: